01

Smelt een laag

Iedere keer dat je een kaars aansteekt is het belangrijk dat er weer een hele laag smelt. Dus brand je kaars zolang totdat ook de randen gesmolten zijn. Doe je dit niet dan heb je kans dat er een gat ontstaat in de kaars. Dit geldt voor stompkaarsen en voor kaarsen in een potje.

02

Lontje

Wanneer je de kaars wilt doven kun je dit het beste doen door het lontje in het kaarsvet te duwen. Laat de kaars volledig stollen voordat je hem weer opnieuw aansteekt. Is het lontje erg lang? Knip er dan een stukje vanaf. Let erop dat een lontje altijd minimaal 5mm lang is.

03

walmen of wakkeren

Zie je de vlam van de kaars dansen? Dan is er luchtcirculatie of het lontje is te lang. Kaarsen kun je beter niet in een tochtige ruimte branden. Als er zwarte rook ontstaat dan is vaak het lontje te lang. Doof dan de kaars en laat deze eerst helemaal stollen voordat je het lontje korter knipt en de kaars opnieuw aansteekt.

04

plateau kaarsen

Je kunt veel kaarsen tegelijk branden en deze op een plateau zetten. Let er dan op dat je de kaarsen niet te dicht bij elkaar zet. Een ruimte van 10 cm wordt minimaal aanbevolen. Door de hitte kunnen de kaarsen elkaar smelten. Heb je minder ruimte? Zet dan de kaarsen dichter bij elkaar maar brandt ze niet tegelijk.